1  Time Waits For No One

van het album ‘It’s Only Rock ‘N’ Roll’ (1974)

Oktober 2027

De echte reden van Adri’s terugkomst heb ik nooit kunnen begrijpen. Dat kwam door zijn bizarre dood.

Het begon allemaal twee jaar geleden, op 15 oktober 2027. Zoals iedere vrijdagavond zaten we in de kroeg van ouwe Thijs. Vrijdagavond was vriendenavond.

Opeens bracht Jur het gerucht ter sprake dat het Adri was die het huis gekocht had van Rooie Kees; het oude huis waar al maanden een verbouwing plaatsvond nadat de oude vrijgezel dit voorjaar door een beroerte was overleden.

‘Kun je je dat voorstellen?’ lachte Jur, ‘Adri die als een rijke pensionado naar zijn roots terugkeert?’

Ik geloofde er niets van. Adri hier wonen? Een beroemde kunstenaar die in zijn rolstoel naar een leeggelopen tuindersdorp terugkeerde? Wat een belachelijk verhaal. Maar de pijnlijke herinnering aan het ongeluk van mijn dierbare jeugdvriend kwam meteen weer tot leven en ik hield me afzijdig van het gesprek.

Die avond viel bij het verlaten van mijn stamkroeg de nacht als een koude jas over me heen. Het pleintje was uitgestorven, de vlaggetjes boven het terras van ouwe Thijs ritselden zachtjes in de wind. Heel langzaam reed ik naar huis. Het paars-roze licht van de groeilampen die in de twee grote kwekerijen langs de donkere weg brandden werd weerkaatst door de wolken; alsof er een lasershow op handen was. Het klokje van mijn Corvette gaf aan dat het al na twaalven was.

Thuis opende ik zachtjes onze knarsende achterdeur. De krant lag op zijn vaste plek, op de keukentafel, met de kruiswoordpuzzel nadrukkelijk naar boven gevouwen. De grote puzzel was tot en met het laatste hokje ingevuld met haar bibberige letters. Meestal kwam ik tegen elven thuis. Ma had op me gewacht. Voor verwijten bezat ik een speciale antenne.

Naast de krant lag een grote grijze envelop. Wie kreeg er nog papieren brieven? De zeldzame post op onze deurmat bestond vooral uit kleurige folders met goedkoop glimmende kippendijen van de supermarkt.

Alleen de overheid vond papieren post nog noodzakelijk: soms ontvingen we een blauwe envelop van de belastingdienst of een violetkleurige, als ik weer te hard gereden had. Die legde ma dan op het telefoontafeltje. En je had natuurlijk de rouwkaarten. Die maakte ze zelf open. Deze envelop was anders. Mijn naam en adres waren in een rond, naar rechts omvallend handschrift geschreven. Ik scheurde hem gehaast open en trok een witte bedrukte kaart tevoorschijn. Bovenaan stond ‘Uitnodiging’, vlak daaronder was in hetzelfde ronde handschrift ‘Beste Mick’ gekriebeld. Alleen Adri noemde me zo. Vroeger. Mijn ogen vlogen van de gedrukte tekst onder mijn naam naar de linkerkant van de kaart, waar in hetzelfde handschrift zwierig zijn nieuwe adresgegevens geschreven stonden, met daarbij: ‘hier woon ik vanaf 1 november, graag tot ziens, man!’

Het gerucht klopte dus: Adri kwam terug. In mijn rustige bestaan als deugdzaam douanemedewerker – negen jaar voor mijn pensioen en samenwonend met mijn oude moeder – sloeg de uitnodiging in als een bom. Vijfendertig jaar geleden was het dat ik Adri, ooit mijn beste vriend, in levenden lijve had ontmoet. En nu schreef hij dat hij me graag weer wilde zien, ondanks dat hij door mijn toedoen als een gehandicapte door het leven ging.

Hij ging zijn terugkomst bepaald niet onopgemerkt vieren. Op het RDM-terrein in het havenkwartier was over vier weken een ‘happening’. Het hele gebeuren was inclusief borrel en hapjes, plus een ‘levende installatie’, wat dat ook mocht betekenen. Het werd ongetwijfeld een hoogtepunt voor de kunstwereld, want Adri was wereldwijd een bekend kunstenaar geworden. Zijn pseudoniem was ‘Adrianus’. De uitnodiging meldde dat slechts een heel select gezelschap was uitgenodigd.

Ze zeggen dat je het verleden kunt begraven. Dat is niet waar. Sinds die ene avond in mijn jeugd leefde ik nog dagelijks met het verleden. We waren zeventien. Het was Koninginnedag en we fietsten die avond vrolijk naar het muziekcafé, terwijl de radioactieve deeltjes uit Tsjernobyl al op ons strand en onze kassen neerdwarrelden. En toen gebeurde het. Het ongeluk. Wekenlang heeft het dorp over niets anders gesproken. Niemand volgde het advies van de overheid op om de melk of spinazie te laten staan, maar de familieleden van de jongen die Adri aanreed werden gemeden als melaatsen. Jaren later gebruikten moeders in ons dorp het ongeluk nog steeds als waarschuwing voor hun alcoholbeluste puberzonen. Ondertussen maakte Adri als kunststudent allang de binnenstad van Amsterdam onveilig, niet gehinderd door zijn rolstoel en onwetend van het glansrijke succes dat hem wachtte.

 

Twee dagen later, zondagmiddag. Mijn wetsuit hing druipend naast de nog nasmeulende houtkachel in mijn warme loods. Ik boende de motorolie van mijn handen en liep door het achterhuis naar binnen, aangenaam vermoeid en vervuld van een lome tevredenheid na een dagje zwemmen, sleutelen en luisteren naar de Stones.

Het stuurhuis van een Ford Fairlane vervangen in dit tijdperk van zelfsturende auto’s werkte uitermate bevredigend. Een motor en ik. Meer was niet nodig; eerlijk handwerk, met vuile nagels en liefst een jaap in mijn vinger, als zichtbaar bewijs van mijn arbeid. Een bekende wereld met bekende spullen, dat was wat het leven draaglijk maakte. Misschien dat ik daarom bij de douane was terechtgekomen, aan de grenspost van het bekende.

In het achterhuis hoorde ik zijn hoge stem al ratelen: oom Leendert was op bezoek. Ma’s jongste broer was een bijzondere verschijning. Een tachtigplusser – al zou je hem die leeftijd niet geven – met diepliggende, slimme oogjes in een rood gelaat met een stuk of wat onderkinnen. Hij ging altijd gekleed in een ouderwetse outfit, bestaande uit een grijze colbert, een grijze broek met wijde pijpen en een hagelwit overhemd, aangeschaft in Rotterdam bij een winkel voor XXXL-maten. Een outfit waarin hij ondanks de Obelix-achtige buik aangenaam goed gekleed overkwam.

Oom Leendert was oud-tuinder en al op zijn vijfenveertigste achtergebleven als weduwnaar met vier dochters. Hij was een luidruchtige opschepper, maar toen ma alleen met het tuindersbedrijf bleef zitten zonder man en inkomen was hij de enige van haar broers geweest die haar met personeel en renteloze leningen had ondersteund.

‘Zo Michel, ook al op zondag met je auto’s in de weer? Of had je soms een afspraakje?’ verwelkomde hij me.

Ik glimlachte zwijgend en trok een stoel erbij.

‘Beter laat dan nooit!’ schaterde hij op hoge toon en tuimelde achterover tegen ma’s geborduurde kussens op de pluchen bank, om direct weer terug te veren. Met zijn buik tussen zijn gespreide knieën hangend woelde hij met zijn vlezige rechterhand in de schaal pinda’s en liet de oogst met opgeheven hoofd in zijn mond vallen, alsof hij een verse haring at. Er zat een kloddertje gele room op zijn stropdas, waarschijnlijk van een tompouce. Elke zaterdag moest ik er vier halen bij de banketbakker.

Ma zat tegenover hem op het puntje van haar stoel en lachte welwillend met haar broer mee. De damp van haar thee kringelde omhoog in de bundel licht van de felle lamp boven de salontafel.

Ik stak mijn hand op. ‘Hoe gaat-ie, Leen?’ Ik mocht oom wel. Hij was ongekend joviaal voor een gereformeerde.

‘Best, jongen, best,’ zei hij smakkend.

‘Wil je nog een glaasje, Leen?’ Gedienstig sprong ma op om de fles port te halen. Ze schonk bijna tot de rand in. Oom sloot zijn dikke vingers om het antieke portglaasje en dronk gulzig.

Met zijn halfvolle glas wees hij op mij en zei: ‘Wees maar blij dat je niet in de tuinbouw zit, jij. Het zijn barre tijden. Zeker met die vrije wietteelt. Dwaasheid! Die maakt de chaos compleet. Weet je wat we weer nodig hebben? Een afzetmarkt die coöperatief wordt aangestuurd! Met producten voor de lokale markt, net als vroeger.’

Hij zette zijn glaasje neer en deed nog een greep in de pinda’s. Oom bereed zijn stokpaardje weer eens. Ooit was hij voorzitter van de veilingcoöperatie geweest, in de tijd dat de groenteveiling alle handel voor de tuinders regelde. Met zijn bestuur maakte hij toen uitgebreide studiereizen naar Engeland en Israël. Al dertig jaar teerde hij op deze ervaringen om zijn volgens hemzelf ongeëvenaarde kennis en inzicht ten toon te spreiden.

‘En, ben jij al miljonair, Michel?’ verschoof hij het gesprek naar zijn tweede favoriete onderwerp. Elk van zijn schoonzoons had hij wel een keer opgevoerd in sterke verhalen, die er altijd op neerkwamen dat ze financieel ongekend succesvol waren. Plagerig keek hij me aan. Zijn onderkinnen bewogen mee met zijn malende kaken.

‘Michel heeft een goede betrekking bij de douane,’ zei ma. Ik trok glimlachend mijn schouders op. ‘Goed genoeg voor mij.’

‘Ach, wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Dat is enkel leegte,’ schudde oom ter relativering een spreuk uit zijn met Bijbelse kennis gevulde wijde mouwen. Hij leegde zijn glaasje. De adertjes op zijn wangen leken nog roder dan anders.

Dus. Ik grijnsde. Oom Leendert moest je nu eenmaal met een flinke korrel zout nemen. Over zijn vrouw Janny zei hij altijd: “Ik had het mooiste meisje van de hele streek.” Ma vond dat lachwekkend: “Janny zeker, met haar platte neus!” Ik niet. Ik vond het ontroerend.

Na zijn vertrek begon ma gehaast aan haar zondags ritueel. Elke zondag diende ze klokslag zes uur met veel trots – enigszins gerechtvaardigd, want ze was al bijna negentig – de eerste gang van haar met zorg bereide driegangenmaaltijd op. Het was een erekwestie. Al vielen de Chinezen binnen, zij zou haar zondagse kippenlevertjes of stoofpeertjes op tafel zetten.

Ik dekte de tafel alvast met het witte linnen tafellaken en het verkleurde bloemetjesservies van oma, las het laatste nieuws op mijn telefoon en probeerde mijn knorrende maag te negeren. Beverig liet ze twee minuten voor zes de traditioneel al op zaterdag gekookte bitterkoekjespudding op de antieke glazen schaal glijden en schuifelde ze met een pannetje soep naar de eettafel. Licht hijgend trok ze haar schort uit en ging zitten. Ze schepte voorzichtig op. De selderijgeur van de groentesoep drong in mijn neus. Ik wachtte op het sein.

‘Heer, zegen deze spijs.’

Spijze, ma, dacht ik automatisch en pakte mijn lepel.  Ze keek me afkeurend aan: ‘Alleen katholieken zeggen amen.’

Had ik onbewust amen gezegd? Vroeger zei ik het verboden woord als ik bij Adri at, met de hele troep aan een lange tafel. Het meerstemmig amen nadat zijn oudste zus het gebed had afgeraffeld was bij hen het startsein om op de gebakken aardappelen met gehaktballen aan te vallen.

‘M’n rimmetiek wordt weer erger. Het is de kou, hè? Truus zei ’t gisteren ook… ze zegt, nee het was eergisteren, ik zeg tegen d’r…’

Ik lepelde de zoute soep naar binnen en probeerde ma te negeren, ondanks haar irritante geslurp. Misofonie, zo heet het als mensen zich ergeren aan eetgeluiden, had ik pas gelezen.

‘Wat denk je? Hij moest van die pillen twee per dag innemen en hij dacht twee per maaltijd! Dan krijg je dat. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.’ Ma knikte even om zichzelf te bevestigen.

‘Wie?’

‘Nou, Truus d’r zoon toch! Hij zat tegen een longontsteking aan en daarom had-ie die pillen, hoe heten ze, anti… nou ja, ik zeg nog tegen Truus, hoe moet dat met z’n werk, hij heeft zo’n belangrijke baan, toen zegt ze, ze zegt…’

Haar lepel soep bleef trillend balanceren boven haar bord. Ze keek me met haar waterige, grijze ogen trouwhartig aan en deed de hele kwestie met veel omhaal uit de doeken. Pa bleef vroeger in zo’n geval gewoon dooreten of lezen, “ja, ja” mompelend. Het was een godswonder dat mijn ouders een koppel hadden gevormd. Pa las onnoemelijk veel – als hij niet in zijn eentje in de natuur rondzwierf – terwijl ma liefst de hele dag thuis zat te borduren en te praten, bij voorkeur over onsmakelijke ziektes of tragische sterfgevallen in het dorp.

Ondanks zijn verlangen naar reflectie was pa wel tussen haar verhalen over wintertenen of aambeien door met ma getrouwd, wat maar weer aangaf hoe bedwelmend het erotisch kapitaal van een mooie jonge vrouw kon zijn.

Na het eten vertrok ik voor een strandwandeling. Het was al donker en er stond ondanks het zachte weer een stevige wind, die voor een wilde branding zorgde. Langs de schuimflarden die over het zand rolden liep ik langzaam richting Kijkduin. De molens op het windpark in zee draaiden op volle snelheid.

Pa vertelde me een groot familiegeheim toen ik elf jaar oud was. Over zijn vader – de opa die ik nooit gekend had. Deze had zelfmoord gepleegd omdat zijn aardappelteelt mislukt was. Liep de zee in en bleef gewoon doorlopen in het koude water tot de waterspiegel zich weer over hem sloot. Het fascinerende verhaal had mijn liefde voor de zee alleen maar meer aangewakkerd. De zee die zoveel verhalen in haar schoot verborg. Haar onvermoeibaar rollende golven die me als moederlijke armen omsloten. Haar tijdloosheid. Na die onthulling van pa begon ik hem vaker te vergezellen tijdens zijn lange strandwandelingen. Lang hield ik dat niet vol, ik zwom liever. Het jaar daarna werd ik lid van de duikclub, met afstand de beste beslissing in mijn leven.

Nu lag pa alweer decennia in zijn eenzame graf. Ik was vorige week achtenvijftig geworden, een stuk ouder dan hij ooit werd, en ik bezocht nog bijna elke dag het strand om te zwemmen, om te duiken of gewoon te lopen. De liefde voor de zee was het enige dat we hadden gedeeld. Het lijkt weinig. Het was genoeg.

Ik wandelde terug naar de duinen en volgde het pad dat naar het parkeerterrein leidde. Op de kop van het duin bleef ik staan en keek uit over de Zandmotor. Het experiment van de civiele ingenieurs was goed uitgepakt: het opgespoten schiereiland langs mijn geliefde strand beschermde onze kust al jaren tegen erosie en was uitgewaaierd tot een ontroerend mooi landschap. De tijd, in de vorm van wind, had er vrij spel. Op de lagunes van de Zandmotor stonden kleine schuimkopjes. Afgelopen zomer zag ik er zeehonden rondhobbelen. De binnenmeren en de jonge duinen met kuifjes helmgras trokken steeds meer nieuwe vogels aan. Vorig jaar had ik er roze grutto’s gespot. Als Adri weer hier woonde, ging ik een strandrolstoel voor hem huren, nam ik me voor.

Ik keerde me om naar het landschap achter de duinen. In de verte lagen helverlichte kassen tussen donkere gebieden rondgestrooid. Meeuwen vlogen er door de lichtzuilen die naar de hemel wezen, hun buik roze aangelicht. De groeilampen die boven de planten in de kassen hingen brandden een groot deel van de nacht, waardoor het in onze streek nooit meer echt donker werd. De belichte kassen waren anno 2027 nog steeds handige bakens voor vliegtuigen die in de nacht overvlogen; ondanks alle voorschriften. En overdag lagen ze als een diamant te schitteren in de zon. Helaas had een lelijk soort modernisering onze dorpen overwoekerd. In het vriendelijke, groene tuindersdorp waar ik geboren en getogen was werden de oude kerktorens en eenvoudige huisjes nu overtroefd door doosvormige industriepanden en hoge appartementsgebouwen. Verderop naar het zuiden stonden hotels en expatvilla’s in de weerloze duinen.

Wist Adri dit wel? Of dacht hij echt dat die idyllische dorpjes uit onze jeugd nog bestonden? En wat te denken van het nieuwe verdienmodel, dat onze gemeenschap verdeelde sinds de overheid de wietteelt toestond? Daar maakte ik me veel meer zorgen over dan over de leegloop en verrommeling van de streek.             De legalisering die de overheid een paar jaar geleden invoerde, had het hoofd van onze tuindersbevolking op hol gebracht. Het deed me denken aan de goudkoorts in het Wilde Westen. Een ‘green rush’.

De kleine, oude tuinbouwbedrijven die de investeringen voor de streng gereguleerde legale teelt niet konden opbrengen, bleken op hun beurt een perfecte prooi voor de verleidingen van de illegale wietteelt. Die ontwikkelde zich razendsnel in de schaduw van het officiële circuit. Ik kende tuinders met hooguit een hectare grond die gezwicht waren en al binnen een paar jaar bulkten van het zwarte geld.

De teelt van wiet, legaal of niet, trok criminele figuren aan, dat wist ik zeker. Als douanemedewerker bij de haven was ik bekend met intimidatie uit het criminele milieu. Elk jaar kwamen miljoenen containers vanaf de Noordzee onze haven binnen. In een klein deel daarvan werd gesmokkeld – drugs, wapens, sigaretten of wat er ook allemaal in de containers schuilging. Vooral drugs. Hooguit één procent van al die containers konden we controleren. De collega’s die deze selectie maakten kregen extra bescherming. Bedreiging door criminelen was een normaal risico op mijn werk. Nog even en dit zou ook de norm in onze geboortestreek worden.

 

 

Verder Lezen?

 

Vanaf 23 oktober 2021 verkrijgbaar in de boekhandel!

 

 

 

ISBN  9789463284325

 

Niets uit deze uitgaven mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de auteur.